woensdag 31 oktober 2012

De begraafplaats en de volkstuin



Al eerder schreef ik over de strijd van de gemeente Amsterdam tegen monofunctionele gebieden. Dat zijn gebieden die maar voor een beperkte groep toegankelijk zijn en/of een beperkt doel dienen. Begraafplaatsen en volkstuinen bijvoorbeeld. Op begraafplaatsen wordt alleen gelegen en op volkstuinen alleen in de tuin gewerkt en dan nog door een beperkte groep, namelijk oudere mensen. De overeenkomst tussen beide gebieden is dat ze nogal afgesloten zijn van de omgeving: meestal zit er wel een sloot en een hek omheen en worden ze maar gedeeltelijk opengesteld voor het publiek. Een andere overeenkomst is, dat het hier gaat om groene, parkachtige gebieden. Het gaat erom dat deze gebieden volgens de gemeente toegankelijker moeten worden voor het publiek en er ook voor het publiek aantrekkelijke functies moeten komen, zoals een café en een interessante wandelroute. In de gemeentelijke Structuurvisie gaat men zelfs zover dat permanente bewoning op de volkstuinen deels toegestaan zou moeten worden en dat zelfs menging met kantoorgebouwen wenselijk is.
Je kunt dit gemeentelijk standpunt , zoals ik eerder ook wel enigszins deed, een beetje belachelijk maken, vooral als het gaat om publieksfuncties bij begraafplaatsen. Ik wilde daarmee aangeven dat er over dit beleid niet voldoende nagedacht is. Volgens Jan Schaefer was beleid sowieso tegengesteld aan nagedacht hebben en in een aantal opzichten zie je dat bij dit beleid ook wel terug.
Maar wat betreft de volkstuinen zit er toch veel waars in het gemeentelijk idee. Het gaat te ver, die ideeën, dat is de gemeente in de jaren dat er nu aan onderzoek naar volkstuinen gewerkt is, ook wel duidelijk geworden. Gemengde bebouwing en permanente bewoning zouden zulke grote veranderingen teweeg brengen, dat je daarmee het kind met het badwater weg zou gooien. Het zou de dood van de volkstuinen betekenen, eenvoudig omdat je dan ook de grenzen weghaalt die er nu voor zorgen dat het tuinpark niet uitgroeit tot een luxe villawijk.
Maar wat de tuinders (dat 'volks' kunnen we wel weglaten) zich wel aan zouden moeten trekken is de vraag op welke wijze zij moeten veranderen, willen zij hun bestaansrecht behouden. Anders worden zij eenvoudigweg van de kaart geveegd als de crisis voorbij is en er weer terrein nodig is voor woningbouw. Zij moeten in elk geval opener naar de omgeving worden. Openstelling 's winters is nu bezwaarlijk omdat er buiten het seizoen niet overnacht mag worden en tuinparken toch al te kampen hebben met inbraken en diefstal. Maar de parken moeten zich wel in het seizoen een onmisbaar onderdeel weten te maken van de omgeving door bijvoorbeeld publieksactiviteiten en -voorzieningen. Er valt ook nog wel het een en ander te winnen op het gebied van de inrichting van het park en vooral ook van de individuele tuinen en de vormgeving van de huisjes. De huisjes en tuinen zijn nu nog vaak erg saai. Een verruiming van de bondsreglementen die nu nog een wat vrijere vormgeving en materiaalgebruik van de huisjes beletten zou welkom zijn. Men zal geen kastelen gaan bouwen, want zolang er een maximumprijs blijft bestaan zal niemand erg veel willen investeren. Maar ook met beperkte middelen en een hoop fantasie kun je hele mooie huisjes bouwen. Dat zou de tuinparken een stuk aantrekkelijker kunnen maken. En de inrichting van de tuinen, tja, dat ligt meestal gevoelig. Er zou wat harder gewerkt kunnen worden aan de voorlichting over ecologisch beheer. Men moet mensen hierin overtuigen en niet dwingen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen